Flemish Verbs

If you're trying to learn Flemish Verbs you will find some useful resources including a course about Verbs in the present past and future tense... to help you with your Flemish grammar. Try to concentrate on the lesson and notice the pattern that occurs each time the word changes its place. Also don't forget to check the rest of our other lessons listed on Learn Flemish. Enjoy the rest of the lesson!


Share

Flemish Verbs

Learning the Flemish Verbs is very important because its structure is used in every day conversation. The more you master it the more you get closer to mastering the Flemish language. But first we need to know what the role of Verbs is in the structure of the grammar in Flemish.

Flemish verbs are words that convey action (bring, read, walk, run), or a state of being (exist, stand). In most languages a verb may agree with the person, gender, and/or number of some of its arguments, such as its subject, or object. Here are some examples:

English VerbsFlemish Verbs
Verbswerkwoorden
Pastverleden
I spokeIk sprak
I wroteIk schreef
I droveIk reed
I lovedIk hield van
I gaveIk gaf
I smiledIk lachte
I tookIk nam
he spokeHij sprak
he wroteHij schreef
he drovehij reed
he lovedhij hield van
he gavehij gaf
he smiledhij lachte
he tookhij nam
we spokewij spraken
we wrotewij schreven
we drovewij reden
we lovedwij hielden van
we gavewij gaven
we smiledwij lachten
we tookwij namen
Futuretoekomst
I will speakIk zal spreken
I will writeik zal schrijven
I will driveik zal rijden
I will loveik zal houden van
I will giveik zal geven
I will smileik zal lachen
I will takeik zal nemen
he will speakhij zal preken
he will writehij zal schrijven
he will drivehij zal rijden
he will lovehij zal houden van
he will givehij zal geven
he will smilehij zal lachen
he will takehij zal nemen
we will speakwij zullen spreken
we will writewij zullen schrijven
we will drivewij zullen rijden
we will lovewij zullen houden van
we will givewij zullen geven
we will smilewij zullen lachen
we will takewij zullen nemen
PresentTegenwoordige Tijd
I speakIk spreek
I writeIk schrijf
I driveik rij[d]
I loveik hou[d] van
I giveik geef
I smileik lach
I takeik neem
he speakshij spreekt
he writeshij schrijft
he driveshij rijdt
he loveshij houdt van
he giveshij geeft
he smileshij lacht
he takeshij neemt
we speakwij spreken
we writewij schrijven
we drivewij rijden
we lovewij houden van
we givewij geven
we smilewij lachen
we takewij nemen

Notice the structure of the Verbs in Flemish.

List of Verbs in Flemish

Below is a list of the conjugated Verbs in the present past and future in Flemish placed in a table. Memorizing this table will help you add very useful and important words to your Flemish vocabulary.

English VerbsFlemish Verbs
I can accept thatDat kan ik accepteren
she added itzij voegde het toe/zij heeft het eraan toe gevoegd
we admit itwe geven het toe
they advised himzij adviseerden hem/ze hebben hem geadviseerd
I can agree with thatDaarmee kan ik akkoord gaan
she allows itze laat het toe
we announce itwe kondigen het aan
I can apologizeIk kan me verontschuldigen
she appears todayze verschijnt vandaag
they arranged thatze regelden het/ze hebben het geregeld
I can arrive tomorrowIk kan morgen aankomen
she can ask himze kan het aan hem vragen
she attaches thatze maakt het vast
we attack themwe vallen hen aan
they avoid herze ontwijken haar
I can bake itIk kan het bakken
she is like himze is zoals hij
we beat itwe verslaan het
they became happyze werden gelukkig
I can begin thatIk kan daarmee beginnen
we borrowed moneywe leenden geld/we hebben geld geleend
they breathe airze ademen lucht
I can bring itIk kan het brengen
I can build thatIk kan dat bouwen
she buys foodze koopt eten
we calculate itwe berekenen het
they carry itze dragen het
they don't cheatze bedriegen [someone] niet
she chooses himze kiest hem
we close itwe doen het dicht
he comes herehij komt naar hier
I can compare thatIk kan dat vergelijken
she competes with meze wedijvert met mij
we complain about itwe klagen erover
they continued readingze lazen verder
he cried about thathij weende/huilde daarom
I can decide nowIk kan nu beslissen
she described it to meze beschreef het [aan] me
we disagree about itwe zijn het er niet over eens
they disappeared quicklyze verdwenen snel/ze zijn snel verdwenen
I discovered thatIk heb ontdekt dat/Ik heb dat ontdekt [statement only]
she dislikes thatze houdt daar niet van
we do itwe doen het
they dream about itze dromen ervan
I earnedIk verdiende/ik heb verdiend
he eats a lothij eet veel
we enjoyed thatwe vonden dat leuk
they entered hereze gingne daar naar binnen/ze zijn daar naar binnen gegaan
he escaped thathij ontsnapte daaraan/hij is daaraan ontsnapt
I can explain thatik kan dat uitleggen
she feels that tooze voelt dat ook
we fled from therewe zijn daar weggevlucht
they will fly tomorrowze zullen morgen vliegen
I can follow youik kan je/u volgen
she forgot meze vergat me
we forgive himwe vergeven hem
I can give her thatik kan haar dat geven
she goes thereze gaat daar naartoe
we greeted themwe groetten hen
I hate thatik haat dat/ik heb daar een hekel aan [less strong]
I can hear itik kan het horen
she imagine thatze stelt zich voor dat/ze stelt zich dat voor [statement only]
we invited themwe nodigden hen uit/we hebben hen uitgenodigd
I know himik ken hem
she learned itze heeft het geleerd
we leave nowwe vertrekken nu
they lied about himze hebben gelogen over hem
I can listen to thatik kan daarnaar luisteren
she lost thatze is dat verloren
we made it yesterdaywe hebben het gisteren gemaakt
they met himze hebben hem ontmoet/ze zijn hem tegengekomen [only by chance on the street]
I misspell thatik spel dat verkeerd
I always prayik bid altijd
she prefers thatze heeft dat liever
we protected themwe hebben hen beschermd
they will punish herze zullen haar straffen
I can put it thereik kan het daar zetten/leggen
she will read itze zal het lezen
we received thatwe hebben dat ontvangen/gekregen
they refuse to talkze weigeren te praten
I remember thatik herninner me dat [both statement and main clause]
she repeats thatze herhaalt dat [d.o.]
we see itwe zien het
they sell itze verkopen het
I sent that yesterdayik heb dat gisteren verstuurd
he shaved his beardhij heeft zijn baard geschoren
it shrunk quicklyhet kromp snel
we will sing itwe zullen het zingen
they sat thereze zaten daar
I can speak itik kan het spreken
she spends moneyze geeft geld uit
we suffered from thatwe leden daaraan
they suggest thatze suggereren dat [both statement and main clause]
I surprised himik verraste hem
she took thatze nam dat/ze nam aan dat [main clause only]
we teach itwe geven les daarin
they told usze vertelden ons/ze hebben ons verteld
she thanked himze bedankte hem
I can think about itik kan erover denken
she threw itze wierp het
we understand thatwe begrijpen dat [both statement and main clause]
they want thatze willen dat [both statement and main clause]
I can wear itik kan het dragen
she writes thatze schrijft dat [both statement and main clause]
we talk about itwe praten erover
they have itze hebben het
I watched itik keek ernaar/ik heb ernaar gekeken
I will talk about itik zal erover praten
he bought that yesterdayhij heeft dat gisteren gekocht
we finished itwe hebben het afgemaakt

Verbs in the present past and future tense have a very important role in Flemish. Once you're done with Flemish Verbs, you might want to check the rest of our Flemish lessons here: Learn Flemish. Don't forget to bookmark this page.


Share