Dutch Quiz

This page contains a quiz in Dutch related to grammar and vocabulary. The test has 20 questions, which might take you 7 min to finish. You will see your score after submitting. This exam should be taken only for fun! The level is for beginners. If you want to prepare for this test go to Learn Dutch otherwise you can start now.

  1. How would you write "a very nice friend"?

  2. een groene boom
    een hoog gebouw
    een heel oude man
    een heel aardige vriend

  3. Which one of the following means "square":

  4. rond/cirkelvormig
    vierkant
    driehoekig
    zoet
    diep

  5. Which one of the following means "red":

  6. wit
    blauw
    geel
    rood
    zwart

  7. Which one of the following means "today":

  8. onmiddellijk/meteen
    gisteren
    morgen
    vandaag
    reeds/al

  9. How would you write "quickly"?

  10. langzaam/traag
    snel/vlug
    bijna
    samen
    echt

  11. Which one of the following means the number "six"?

  12. drie
    negen
    zeven
    zestien
    zes

  13. How would you write "green car"?

  14. garage
    mijn auto
    drie auto's
    groene auto
    buiten de auto

  15. What's "nose" in Dutch?

  16. schouder
    nek (back)/hals (front)
    hart
    neus
    oor

  17. How would you write "breakfast"?

  18. fruit
    salade
    ontbijt
    diner/avondeten
    vlees

  19. How would you write "we speak"?

  20. jij/je spreekt
    zij/ze spreekt
    ik spreek
    wij/we spreken
    hij spreekt

  21. How would you write "his chickens"?

  22. hij is gelukkig
    zij is Amerikaanse
    zijn kippen
    onze dochter
    hun kip

  23. How would you write "father"?

  24. broer
    vader
    jongen
    stier
    oom

  25. How would you write "we speak"?

  26. ik hield van
    ik schreef
    we zullen glimlachen
    ik zal geven
    we spreken

  27. How would you write "they became happy"?

  28. ze verdwenen snel
    zij vliegen morgen
    ze bleven lezen
    ze werden gelukkig
    ik kan daar naar luisteren

  29. How would you write "inside the house"?

  30. in het huis
    buiten de auto
    onder de tafel
    voor zonsondergang
    zonder hem

  31. How would you write "he doesn't speak"?

  32. niet binnenkomen
    hij is niet hier
    Ik rijd niet
    Hij spreekt niet
    Wij schrijven geen

  33. How would you write "how much is this?"

  34. waar is hij?
    wat is dit?
    hoe groot is het?
    Hoe ver is dit?
    hoeveel is dit?

  35. How would you write "raining"?

  36. warm
    sneeuwt
    zonnig
    regent
    koud

  37. How would you write "aunt"?

  38. grootmoeder/oma
    dochter
    tante
    verpleegkundige
    vrouw

  39. How would you write "congratulations"?

  40. dag/doei/doeg
    gefeliciteerd/proficiat
    sorry
    echt
    hallo






    Share